playlist: Podcast Curious Ears Season 3 playlist Klik op het toestaan van cookies om de playlist te beluisteren

In-Situ/City: Stonework

scroll down
back to overview
Een menselijk-lithische omhelzing – over Stonework van Espen Hjort en Mees Borgman

In-Situ/City is een doorlopend project waarin de stad centraal staat, als voortdurend veranderende verzameling van historische, culturele, politieke en sociale betekenisgevers. Tijdens Gaudeamus 2022 kregen vier jonge makers(groepen) de opdracht om nieuw werk te maken dat op dit thema reflecteert, met een speciale focus op de relatie tussen mens en niet-mens. In vier artikelen duikt muziekjournalist en onderzoeker Joep Christenhusz dieper in hun werk en thema’s.

Koop kaarten voor Stonework op Gaudeamus Festival 2022

Steen is oud. Heel oud. Een onvoorstelbare 1,5 miljard jaar oud. We schrijven het midden van het Proterozoïcum als hij wordt gevormd op het breukvlak van twee continentale platen, ruwweg waar nu de Atlantische Oceaan stroomt. Temperatuur en druk zijn er zo immens dat Steens moedergesteente een metamorfose ondergaat. Iets met roterende kristallen en parallel vloeiende mineraalmoleculen, die uitharden in het gespikkelde gneis waaruit Steen bestaat.

Steen heeft nu een handzaam formaat: ongeveer de afmetingen van een flink brood, 9,3 kilo schoon aan de haak. Dat was ooit anders. In het Cambrium, zeg 600 miljoen jaar geleden, was Steen een honderden kilometers lange rotsformatie die op tektonische bewegingen meeliftte naar het noordoosten. Bestemming: het huidige Noorwegen, waar Steen zo’n 400 miljoen jaar geleden werd afgezet in het Hallingskarvet-gebergte. Ooit was het massief hoger dan de Himalaya. Nu rest een opmerkelijk egaal plateau van gemiddeld 1500 meter hoog: het werk van alles vermorzelende gletsjers in drie tussengelegen ijstijden.

Het was in dit glaciale geweld dan Steen afbrokkelde en zijn leven als individu voortzette. Aanvankelijk als ruwe brok, maar metterjaren slepen water en wind zijn scherpe randjes tot zachte rondingen. Onmerkbaar langzaam werd hij kleiner, schuurde de tijd een deel van zijn lithische lijf tot zand. Het is een proces dat nog altijd voortduurt. Uiteindelijk zal ook Steen tot stof wederkeren.

Zomer 2018. Theatermakers Espen Hjort (1989) en Mees Borgman (1992) zijn in Hallingskarvet National Park voor een wandelvakantie. De vergezichten zijn wat je noemt subliem: weidse wolkenluchten omspannen kale rotsen, bedekt met een dunne sneeuwdeken. Op de voorgrond bloeiende steenbreek en silene rondom een glinsterend bergmeer.

Het is hier, langs de waterkant, dat het tweetal hun eerste ontmoeting had met Steen. “Hij lag tussen allemaal andere stenen”, herinnert Borgman zich begin juni in een video-interview. “Soortgenoten, denk ik, of broertjes en zusjes.” Niettemin sprong Steen eruit: “Hij had een fijne vorm, een fijn gewicht. Het voelde gewoon goed.” Hjort: “Eigenlijk is het net als met mensen. Soms ontmoet je iemand en voel je meteen dat je vrienden kunt worden.”

Inmiddels heeft Steen de Scandinavische berglucht verruild voor een bloeiende toneelcarrière en heeft hij een hoofdrol in een nieuw project van Hjort en Borgman. Stonework heet de voorstelling die op 9 september in première gaat bij Gaudeamus. De concepttekst rept over een “fysiek en muzikaal duet tussen mens en steen”, waarin de makers zich naar eigen zeggen verhouden tot “het meest urgente thema van onze tijd”: de ecologische crisis. “De wetenschap vertelt ons al jaren dat het hoog tijd is om radicaal van koers te veranderen”, benadrukt Hjort. “Wij willen onderzoeken wat wij hier als kunstenaars in kunnen betekenen.”

Mees Borgman

Gelijkwaardige ontmoeting
Stonework is niet de eerste voorstelling waarin Hjort en Borgman ecologische vragen, en dan met name de relatie tussen mens en niet-mens, onderzoeken. In 2017 maakten ze Goatsong, een zoektocht naar het dier in de mens. Een videoregistratie op Vimeo toont hoe Borgman in drie kwartier stukje bij beetje transformeert in een geit. We zien hoe ze als het ware uit haar menselijke lichaam stapt, haar huid en spieren aflegt, om zich met een onwennig geitenlijf (lastig, die ontbrekende handen) in een ruwwollen slobbertrui te wurmen. Op haar knieën kuiert ze over het toneel en schurkt ze haar nieuwe vacht eens lekker langs een decorstuk. Bèh!

In 2019 volgde het researchproject Wild Audiences. Probleemstelling: “Is het mogelijk om theater te maken voor een niet-menselijk publiek?” Hjort: “Achteraf bezien was het niet helemaal de juiste vraag. Een van onze conclusies was namelijk dat er geen niet-menselijk publiek bestaat. Er is een stenen-publiek, een vogel-publiek, een bomen-publiek, maar die laten zich niet onderbrengen in een generieke groep. Wanneer je die diversiteit niet erkent, verval je onherroepelijk in een tweedeling: de mens tegenover de rest. Dat is precies het antropocentrische perspectief dat we met dit project wilden afschudden.”

Inmiddels is de thematiek verschoven. Met hun nieuwe performancecollectief Landmarks, dat tevens aan de wieg stond van Stonework, benaderen ze andere levensvormen en materialen niet als publiek maar als volwaardige partners. Borgman: “We willen breken met de hardnekkige gewoonte om theater altijd weer vanuit de mens te denken. Wat als we een radicaal ander perspectief proberen in te nemen, waarin we ons bewuster verhouden tot al die verschillende niet-mensen? Kunnen we van daaruit een gelijkwaardiger relatie ontwikkelen met de wereld om ons heen?”

Want die gelijkwaardigheid, dat is waar het momenteel aan schort, vervolgt Hjort: “De ecologische crisis is in de eerste plaats een relatiecrisis. Ze komt voort uit de manier waarop de mens zich eeuwenlang tot de aarde heeft verhouden, als een soevereine soort die zich boven al het andere verheven voelde. In ons werk willen we ruimte scheppen voor een fundamenteel gelijkwaardige ontmoeting met die ander.”

Espen Hjort

Vreemd vertrouwd
Over relaties gesproken: In zijn boek Stone, an Ecology of the Inhuman (2015) ontwaart de Amerikaanse mediëvist en auteur Jeffrey Jerome Cohen een paradox in onze menselijke betrekkingen met steen. Enerzijds, schrijft Cohen, is de mens geneigd om steen als een levenloos materiaal te zien, als een inert object, als koude en harde oermaterie die een onmenselijke duur en temporaliteit belichaamt. Juist die diepgevoelde vreemdheid maakt steen tot een dankbare protagonist, benadrukt Hjort: “Steen is bijna alles wat een mens niet is. Stenen hebben geen ogen, geen hart, geen longen. Iets dat zover van onze ervaringswereld afstaat, is bij uitstek geschikt om een barst te slaan in ons eenzijdige menselijke perspectief.”

En toch, als we steen bezien zonder die antropocentrische bril dan ontstaat er ruimte voor het ‘anderzijds’ in Cohens paradoxale mens-steen-relatie. Wat Cohen in grote lijnen betoogt is dit: steen mag ons op het eerste gezicht dan vreemd toeschijnen, wie beter kijkt ziet dat we er innige relaties mee onderhouden. We wonen in steen, hakken onze collectieve herinneringen uit in marmer en graniet, bewegen ons voort dankzij een skelet dat uit mineralen bestaat, en hebben stenen eeuwen lang een vitale rol toegedicht in onze meest elementaire verhalen (waren Mozes’ tafelen niet van steen?). Steen is met andere woorden geenszins een doods, afstandelijk object, maar een actief en vitaal materiaal dat op tal van manieren met ons verbonden is.

Cohen verwoordt het treffend met een bespiegeling op die andere lithische mythe: “Wat als het verhaal van Sisyphus niet alleen gaat over een mens en een steen die, elk in hun eenzaamheid, strijden om de status van hoofdpersonage? Wat als we de mythe proberen te begrijpen als een veelzijdig verhaal over trans-taxonomische relaties: een mens die tracht een rotsblok te grijpen dat nooit ophoudt te tuimelen, handen op een hard oppervlak, rots tegen handen, een epochale omhelzing?”

Langzaam begint er wat te schuiven. Wat aanvankelijk wezensvreemd scheen, begint vreemd vertrouwd te voelen. Harde taxonomische grenzen tussen subject en object worden tot intieme verbindingslijnen.

“Denk je aan het zand?”
Of ik naar lokaal 305 kan komen, vraagt het berichtje op mijn mobiel. Het is medio mei. In CREA, het cultureel centrum van de Universiteit van Amsterdam, geven Hjort en Borgman een eerste doorloop van Stonework. Op de vloer ligt Steen zwijgzaam zwaar te wezen tussen een verzameling A4’tjes, notitieboekjes en post-it-briefjes. Tegen de achterwand staat een drietal stoelen. “Uiteindelijk zullen we op die plekken andere materialen zoals keien, ijs en zand laten zien”, legt Borgman uit. “Samen symboliseren ze de levensloop van Steen, van rotsformatie tot stof.” Lachend: “Maar dat moet je er nu maar even zelf bij bedenken.”

Wat volgt is een reeks fysieke duetten tussen Steen en Borgman. In een ervan krijgt Cohens notie van een trans-taxonomische omhelzing gestalte als Borgman, liggend op de vloer, haar lichaam rond Steen krult. Uit een luidspreker welt een landschap op, het suizen van de wind. Even waan je je in Hallingskarvet.

In een andere scène incorporeert Borgman Steens kracht. Gebalde vuisten, strak gespannen spieren, een pulserende halsslagader. Gevolgd door gewicht: terwijl ze Steen hijgend en puffend door de ruimte zwiert, klinkt op de achtergrond een elektronische compositie van de Ierse componist Seán Ó Dálaigh, die zich voor Stonework de vraag stelde hoe Steen klinkt en of hij zou kunnen luisteren. “Stenen hebben vaak een hoge dichtheid”, schrijft hij in een concepttekst voor Stonework. “Dit houdt in dat ze pas bij hele grote trillingen beginnen te klinken. Met dit in mijn achterhoofd ben ik gaan experimenteren met hele luide en lage klanken.” Tegelijkertijd verkende hij Steens resonantiefrequenties, ofwel “de specifieke toonhoogten die meetrillen in Steens lichaam.” Uit deze interne vibraties destilleerde Ó Dálaigh traag verglijdende sinustonen die op tape verweven raken met langgerekte vocalen van Borgman.

Menselijk-lithische samenzang.

“Eigenlijk zijn het allemaal manieren om toenadering te zoeken”, licht Hjort de scènes een maand later toe over de Skype-verbinding. “Eerder hadden we het over ons streven naar een radicaal gelijkwaardige ontmoeting tussen mens en niet-mens. Ik denk dat die gelijkwaardigheid begint met het vermogen om je in die meer-dan-menselijke ander te kunnen verplaatsen. In Stonework stellen we daarom de vraag hoe we contact kunnen maken met Steen. Hoe kunnen we met hem communiceren in een taal die hij kan begrijpen? Dat kan een akoestische taal van resonanties en vibraties zijn, maar ook met een fysieke taal van spier- en zwaartekracht.”

Soms nemen Hjort en Borgman ook hun toevlucht tot woorden. Neem de korte gesproken proloog, waarin Borgman toegang probeert te krijgen tot Steens belevingswereld: “Ik wil zo graag iets voor je doen steen, je gelukkig maken. Heb je zorgen? Denk je aan het einde? Denk je aan het zand? Kom, ik zal je zorgen dragen. Ik zal je lichter maken.”

‘Tunen’
Toenadering zoeken. Contact maken. Je verplaatsen in. Volgens de Britse filosoof Timothy Morton zijn het allemaal manifestaties van een dieper gelegen proces dat hij tuning noemt. In zijn boek Being Ecological (2018) beschrijft Morton dit afstemmen als een wezenlijk ecologische mentaliteit, omdat het niet alleen gelijkwaardigheid en connectie maar ook een wederkerigheid tussen de dingen veronderstelt. Tuning beschrijft als zodanig een tweerichtingsverkeer. Wie tunet richt zijn aandacht niet alleen op een ander, hij onderkent tegelijkertijd dat die ander zich terugricht. Tunen en getuned worden, zeg maar.

Voor wie denkt dat tunen enkel is voorbehouden aan zen-meesters en Yoda-achtigen heeft Morton een geruststellende boodschap: wij zijn allemaal geboren tuners. Een voorbeeld dat hij veelvuldig aanhaalt is dat van de kunstliefhebber. Want, zo betoogt Morton, de esthetische ervaring berust a priori op een wederkerige relatie tussen subject en object, toeschouwer en werk, mens en niet-mens. In zijn eigen woorden: “In de schoonheidservaring vindt een soort geestesversmelting plaats, waarin ik niet kan zeggen wie de ervaring veroorzaakt, ikzelf of het het kunstwerk. Sterker: Als ik de schoonheidservaring probeer te reduceren tot het kunstwerk of mijzelf, dan verpest ik haar.” In die zin doet alle kunst een beroep op een zekere mate van ecologisch bewustzijn, schrijft Morton, omdat ze om een diepgevoelde solidariteit met niet-mensen vraagt. Volgens hem plaatst ecologisch geëngageerde kunst deze solidariteit simpelweg op de voorgrond. Dat brengt ons terug bij Stonework, een voorstelling die nadrukkelijk een meer-dan-menselijke dialoog probeert te voeren in plaats van een menselijke eenrichtingsconversatie in een spiegel die toevallig uit gneis bestaat.

Diepe tijd
Je kunt je natuurlijk afvragen wat Steen precies terugzegt in die multi-soortelijke tweespraak. Als je het mij vraagt, fluistert hij de goede verstaander dingen toe over onvermoede connecties, vertrouwde vreemdheid en het feit dat we een veelzijdiger en vitaler begrip van materie nodig hebben als de mens (en dan vooral de moderne westerse) zijn rol op aarde ten goede wil veranderen.

Maar Steen leert ons ook iets wezenlijks over tijd. Zijn duizelingwekkende leeftijd van circa 1,5 miljard jaar impliceert dat ons menselijke tijdsframe op z’n zachtst gezegd relatief is. Anders gesteld: waar onze temporele horizon in het beste geval een eeuw omvat (maar vaker ophoudt bij kwartaalcijfers en vierjarige verkiezingstermijnen), daar belichaamt Steen de diepe tijd die eigen is aan geologische en ecologische processen.

Timothy Morton (daar is hij weer) spreekt in dit verband van hyperobjects, ofwel: “Dingen die, in relatie tot mensen, massaal zijn verdeeld in tijd en ruimte.” In zijn gelijknamige boek Hyperobjects, Philosophy and Ecology after the End of the World (2013) schrijft Morton dat hyperobjecten worden gekenmerkt door wat hij temporal undulation noemt. Ze ontvouwen zich op zulke enorme tijdschalen dat ze zich vanuit ons beperkte blikveld oneindig traag of fasegewijs lijken voor te doen. Concreet houdt dit in dat hyperobjecten zich onmogelijk in hun geheel laten ervaren. Wat we meekrijgen zijn losse symptomen, fracties, snapshots.

Klinkt abstract? Toch grossiert ons huidige tijdgewricht in concrete voorbeelden: microplastics die de aarde nog honderden jaren zullen vervuilen; kernafval dat nog tienduizenden jaren radioactief blijft; de trage maar gestage tred van klimaatverandering en een zesde massale uitstervingsgolf.

Juist in deze context heeft Steen, zelf een snapshot van een hyperobject dat miljarden jaren omvat, ons urgente dingen te melden. In al zijn onverzettelijke hardheid nodigt hij uit om onze temporele antennes af te stemmen op hyperobjecten die we hoognodig het hoofd moeten bieden, en op een verre toekomst die hopelijk ecologisch bewuster zal zijn.

Hoe die toekomst eruit zal zien voor Steen? Uiteindelijk zal hij verkruimelen tot zand. Als het aan Hjort en Borgman ligt, spendeert Steen zijn oude dag op de plek waar hij thuishoort: het Hallingskarvet-gebergte. Borgman: “Ecologisch gezien heeft onze beslissing om Steen mee te nemen naar Nederland natuurlijk een aanzienlijke impact gehad. We hebben hem uit zijn vertrouwde habitat gehaald, en uit z’n levensreis die al zo lang gaande is. Maar uiteraard gaat-ie terug. We weten heel precies waar hij moet liggen. Over een tijdje, want voorlopig geniet hij nog even van een sabbatical.”

Steen